Bruder - Waldkirch

Grondlegger van de Waldkircher orgelindustrie was Ignaz Bruder (1780-1845), die waarschijnlijk in Mirecourt in de Vogezen kennis had gemaakt met de draaiorgelbouw. Hij is voor verscheidene Duitse orgelbouwers de leermeester geweest, onder meer voor de later beroemd geworden Andreas Ruth.
Vier van zijn zonen stichtten de firma Gebrüder Bruder: Andreas (1807-1859), Ignaz II, Xaver en Wilhelm.

Twee  zonen van laatstgenoemde Wilhelm, namelijk Wilhelm II (1841-1893) en Arnold (1842-1918 stichtten een eigen orgelfabriek onder de naam Wilhelm Bruder Söhne, later voortgezet door hun kinderen en kleinkinderen.
Twee zonen van Ignaz II bouwden orgels onder de naam Ignaz Bruder Söhne.

Een kleinzoon van Andreas, Richard Bruder (1862-1912) werd, na korte tijd medefirmant van de Gebrüder Bruder te zijn geweest, toch weer zelfstandig. In l898 werd Richard directeur van het in dat jaar in Waldkirch gestichte filiaal van de Franse orgelfabriek Gavioli. Later ging deze fabriek over in hand en van Limonaire Frères, een andere bekende Franse orgelfabriek. Na het overlijden van Richard in l912 nam zijn zoon Alfred Bruder (1889-1937) de leiding van Limonaire Frères Waldkirch op zich. Hij moest echter reeds in 1913 onder de wapenen en de fabriek werd gesloten. Na 1918 stichtte Alfred een zelfstandig bedrijf. Hij bouwde vooral orgels volgens het systeem Ruth model 33 en ontwikkelde een eigen stijl naar voorbeeld van de andere Bruder bedrijven.
 

Carl Frei, Breda - Waldkirch.

Gedurende de bloeiperiode van het draaiorgel tussen de beide wereldoorlogen nam Carl Frei (1884-1967) een wel zeer bijzondere plaats in. Reeds op negenjarige leeftijd kreeg hij aan de muziekacademie te Waldkirch onderricht in harmonieleer en contrapunt. Van zijn veertiende jaar af was hij werkzaam bij gerenommeerde fabrieken zoals Bruder, Gavioli te Waldkirch en Parijs, Mortier en De Vreese. Na de eerste wereldoorlog vestigde hij zich te Breda. Na de tweede wereldoorlog verhuisde hij gedwongen naar Waldkirch, samen met zijn vakbekwame zoon Carl Frei jr. Daar zette hij zijn bedrijf voort; er werden voornamelijk kermisorgels gebouwd en verbouwd. Na zijn overlijden werd het bedrijf voortgezet door zijn zoon Carl Frei jr.

Naast de grote verdiensten die Frei had als arrangeur en componist is hij vooral beroemd geworden door het introduceren van een nieuwe klankstructuur in de Nederlandse straatdraaiorgels. In de eerste plaats was dit de helder geïntoneerde bourdon céleste op zang. In instrumenten van andere fabrikanten werd doorgaans een zachter klinkende bourdon op tegenzang toegepast. Deze gelijkmatig zwevend gestemde bourdon werd in de draaiorgelwereld zó geliefd dat ook andere orgelbouwers dit register gingen toepassen. Frei liet voorts het register viool versterken met een register viool céleste, eveneens zwevend gestemd. Ook introduceerde hij werd het register unda maris op tegenzang, terwijl in de grote (72- en 90-toets) orgels nog eens registers met de namen bifoon I (op zang) en bifoon II (op tegenzang) werden aangebracht.
 

Gasparini - Paris

De in Parijs gevestigde firma Foucher - Gasparini werd opgericht in 1865. Gasparini was afkomstig uit Italië. Vooral in de periode tussen 1903 en 1910 werden in ons land vooral orgels van het fabrikaat Gasparini geïmporteerd. Eén van de kenmerken voor deze orgels is de ronde vorm van het front met vele krullen en andere versieringen. Na 1910 werd de leidinggevende positie op de Nederlandse markt overgenomen door de firma Limonaire, die eveneens te Parijs was gevestigd.
 

Gavioli & Cie, Paris

De firma Gavioli is een van de de oudste orgelfabrieken in Frankrijk en is steeds toonaangevend in deze branche geweest. 

Reeds Giacomo Gavioli (1786-1875), wonend in Modena- Italië, hield zich o.a. bezig met de ontwikkeling van vele automatisch spelende muziekinstrumenten, waaronder de ,,Panharmonico'', een voorloper van het draagbare buikorgel. 

Zijn zoon Ludovico Gavioli I (1807-1875) heeft samen met zijn vader aan de verdere ontwikkeling van het draaiorgel gewerkt. In 1845 was de orgelwerkplaats reeds van Italië naar de handelsmetropool Parijs overgeplaatst.

De drie kleinzoons Anselme, Henri en Claude bleven de branche trouw, al was ieders inbreng verschillend. Belangrijk is de uitvinding van het pneumatische aftastsysteem door Anselme Gavioli in 1892 , waardoor in plaats van een houten cilinder kartonnen boeken van onbeperkte lengte gebruikt konden worden. Deze boeken, waarin gaten geponst of gekapt zijn, worden in een klavier door toetsen afgetast. De lengte van de muziekstukken was nu niet meer aan de omtrek van de houten cilinder gebonden.

De achterkleinzoon Ludovico II, zoon van Anselme, heeft het einde van het bedrijf door allerlei tragische omstandigheden tussen 1912 en 1914 meegemaakt. De fa. Gavioli had filialen in vele steden zoals Barcelona, Manchester, New York en Waldkirch. 
 

Gaudin - Paris, zie Marenghi

 

Hooghuys - Geraardsbergen

Louis Hooghuys te Geeraardsbergen (Grammont) in België is in 1880 begonnen met de bouw van draaiorgels. Zijn specialiteit was de bouw van kermisorgels. De zaak is later voortgezet door zoon Charles en weer later kreeg kleinzoon R. Charles het bedrijf in handen. Tot voor enige jaren werd het bedrijf uitgeoefend. 

Hooghuys vormde een uitzondering op de Belgische orgelbouwers in die zin dat naast dansorgels ook instrumenten met een sterker volume werden gemaakt die bedoeld waren voor de kermis. Gebruik werd gemaakt van technieken uit de Duitse draaiorgelbouw en de kerkorgelbouw. Qua klank stonden Franse orgels als voorbeeld. Zo is een zeer specifiek type orgel ontstaan. Er werd geen uitbreiding ge zocht in het aantal pijpen maar door een optimaal gebruik van alle mogelijkheden kon toch tegemoet worden gekomen aan wensen om orgels machtiger te laten klinken .

Limonaire frères - Paris

De familie Limonaire kwam oorspronkelijk uit het Baskenland. Antoine Limonaire begon in de 19e eeuw in Parijs met het vervaardigen en repareren van piano’s. Zijn zonen, de gebroeders Camille en Eugène Limonaire, waren daarna actief onder de naam Limonaire Frères. Het bedrijf maakte voornamelijk kermisattracties, onder meer fietsmolens, waarbij de inzittenden zelf de molen in beweging brachten. Nadat zij de orgelbouwer Anciaume in dienst hadden genomen begon het bedrijf rond 1900 met het bouwen van orgels voor danszalen en kermissen. Het meest verkochte model was het type met 35 toetsen. In Nederland zijn de modellen met 48, 52 en 56 toetsen het meest bekend. Voor de wereldoorlog van 1914 werden honderden orgels van dit type orgels in Nederland geïmporteerd. Ze waren bij de luisteraars bekend om hun lieflijke klank en het register Voix Humaine (menschelyke stem), die op straat beter uitkwam dan de Gavioli- en Gasparini-orgels, die beter voor de kermis geschikt waren. Toch hebben ook vele van deze "Orchestrophones" in kermisattracties dienst gedaan. 

Rond 1912 nam Limonaire de firma Gavioli over, die toen in grote financiële moeilijkheden verkeerde. Hierdoor kwam ook het Gavioli-filiaal in Waldkirch in handen van de firma tot de verkoop in 1918. De productie van orgels in Parijs is vermoedelijk rond 1930 gestopt.

Vrijwel alle Limonaire-orgels in Nederland werden in de jaren ‘20 en ‘30 verbouwd. Vooral Carl Frei in Breda verrichte vele van deze verbouwingen, waarbij de meeste soloregisters uit de orgels werden verwijderd. Zij werden vervangen door het zo kenmerkende bourdon céleste-register.

De 48-56- toets gamma van Limonaire is nog steeds de standaard voor kleinere straatorgels in Nederland.
 

Marenghi - Paris

Charles Marenghi was tot 1903 werkplaatschef bij Gavioli & Cie. Toen deze firma in 1903 een NV werd verliet hij het bedrijf, kocht de vennoten uit en zette het oude bedrijf voort in de oude fabriek aan de Place de la Nation, samen met het meeste oude personeel van Gavioli.

Marenghi bleef kermisorgels vervaardigen in de stijl van de oude Gavioli-fabriek, maar bracht later ook verbeteringen en uitbreidingen aan. De meeste klanten van Marenghi waren Engelsen, daardoor zijn de meeste Marenghi-orgels in Engeland te vinden.

Na 1920 werd het bedrijf nog een aantal jaren voortgezet door Charles Gaudin. In de laatste jaren werden alleen nog dansorgels vervaardigd.
 

Molzer - Wien

Ferdinand Molzer Sr. werd geboren op 10 oktober 1855 en overleed op 5 september 1929. Van 1880 af heeft hij zich erg beijverd het draaiorgel, dat bij de bevolking in Oostenrijk in diskrediet was geraakt, te verbeteren. Bij naspeuringen ontdekte het KDV-bestuurslid Van Dinteren indertijd, dat Molzer een filiaal heeft overgenomen van Josef Riemer Söhne uit Chrastava (Kratzau) in Tsjechië. 

Dank zij zijn vakmanschap slaagde hij er in een straatorgel te maken, dat het lievelingsinstrument van het volk werd. Behalve straatorgels leverde Molzer ook concertorgels tot 96 toetsen en kerkorgels. In 1911 heeft Molzer Jr. voor Amerika een Kinophon gebouwd; te vergelijken met het theater- of cinema- orgel. (Door veel inspanning zijn de enkele resterende theaterorgels in ons land onder bescherming gekomen van onze zustervereniging de Nederlandse Orgel Federatie, Postbus 189 Amsterdam). Deze Kinophon had twee manualen en pedaal, en bevatte veertig registers. Het instrument was dan ook slechts door enkele ingewijden te bespelen. In 1923 bouwde Molzer zelfs een 112 toets dansorgel voor een jubileumtentoonstelling in Gotenburg.
 

Th. Mortier - Antwerpen

De productie van Mortier begon omstreeks 1900, in een periode waarin de Franse en Duitse orgelindustrie reeds tot grote bloei was gekomen. Theofiel Mortier was oorspronkelijk exploitant van een danszaal waarin steeds een Gavioli-orgel speelde. Hij maakte er een gewoonte van na korte tijd het in de zaal opgestelde orgel te verkopen. Het lukte hem doorgaans goed om aan zijn gebruikte orgels te verdienen. Hij werd dus gaandeweg meer en meer orgelhandelaar en een grote klant van Gavioli. Teneinde ook het onderhoud van de geleverde orgels te kunnen uitvoeren richtte hij een reparatiewerkplaats in, geleid door de orgelbouwer Guillaume Bax.

Door interne bedrijfsmoeilijkheden kon Gavioli na enige tijd de opdrachten van Mortier niet meer uitvoeren. Mortier begon nu zelf dansorgels te bouwen en breidde in de jaren na de eerste wereldoorlog zijn bedrijf uit tot een personeelsbestand van 80 man, met een capaciteit van ca.20 grote dansorgels per jaar. Geen enkele fabrikant heeft Mortiers productie in kubieke meters orgel ooit geëvenaard. Het bedrijf bleef actief tot 1948.
 

Richter - Düsseldorf

Johann Richter begon omstreeks 1840 te Gersfeld-Rhön, in de omgeving van Fulda, met het repareren en bouwen van kerkorgels om na een hele tijd langzaam over te schakelen op het bouwen van buikorgels, kleine draagbare cylinderorgels. Op de duur groeide ook het formaat van deze orgels. Na het overlijden van Johann Richter zetten zijn drie zoons onder de naam Gebrüder Richter te Düsseldorf-Derendorf het bedrijf voort. Deze drie broers waren Felix (1870-1945), Eduard (1872-1944) en Emil (1884-1964). 

Naar meer dan een dozijn landen werden de heldere en pittige Richterorgels verzonden. De cilinderorgels gingen in grootte van 27 tot 80 toetsen, terwijl de latere boekorgels van 56 Tonstufen (luchtgaten in het klavier) volgens de katalogus tot 96 Tonstufen gingen. Volgens Emil Richter echter werden er ook orgels met 108 Tonstufen gebouwd. Alleen de jongste der drie broers Richter had een nakomeling: zoon Felix, geboren 1922, die het bedrijf zou voortzetten. 

Het lot heeft helaas anders beschikt; als dienstplichtige werd zijn vliegtuig een maand voor het einde van de tweede wereldoorlog aangeschoten waardoor het in de lucht explodeerde. Eduard Richter stierf in 1944 in de werkplaats tijdens een geallieerde luchtaanval. De fa. Richter heeft zware klappen gekregen en is tragisch geëindigd.
 

Ruth - Waldkirch

De firma A. Ruth u. Sohn heeft van 1841 tot 1938 in Waldkirch im Breisgau in het Zuiden van het Zwarte Woud orgels gebouwd, die nog steeds worden beschouwd als de beste Duitse kermis- en concertorgels.

Andreas Ruth (1817-1888) leerde het orgelbouwvak bij Ignaz Bruder, van wiens vrouw hij familie was. In 1841 vestigde hij zich in Waldkirch waar hij zich bezig hield met het vervaardigen van klokken met speelwerkjes en van draaipiano’s, die bij kenners bekend staan als "Hackbretter", en later cilinderorgels.

Zijn zoon Adolf I (1845-1907) nam in 1875 de leiding van het bedrijf over. Adolf Ruth was niet alleen een goede technicus en handig zakenman, maar ook een muzikaal begaafd man. Onder zijn leiding kwam de bouw van grotere cilinderorgels op gang en het bedrijf kwam tot grote bloei. Rond 1900 begon de fabriek ook met het vervaardigen van boekorgels.

Diens zoon Adolf II (1887-1938) nam na het overlijden van zijn vader in 1907 de leiding over. Vooral op het muzikale vlak overtrof hij zijn vader; door hem en zijn meesterknecht Rudolph Weisser werd het repertoire van vooral semi-klassieke muziekstukken zodanig uitgebreid dat het in de toenmalige Duitse orgelindustrie zijn weerga niet kende, noch wat hoeveelheid, noch wat kwaliteit betrof. In het begin van de  jaren 1930 begon de malaise, voomamelijk als gevolg van de opkomst van radio en grammofoon. Na de dood van Adolf Ruth II in 1938 werd het bedrijf geliquideerd. Het grootste deel van de inboedel werd gekocht door H. Voigt te Frankfurt a. Main-Hoechst; dit bedrijf is nog steeds actief.

De orgels van de firma A. Ruth und Sohn werden destijds door de klanten, en heden door de liefhebbers, beschouwd als de "Rolls-Royce" onder de kermisorgels. Ze stonden bekend als bijzonder goed gebouwde instrumenten die weinig onderhoud nodig hadden, zelden bijgestemd hoefden te worden, en onder bijna alle weersomstandigheden bleven spelen. Bovendien leverde Ruth uitstekende muziekarrangementen, die nu nog altijd beschouwd kunnen worden als een goede weergave van de muziek zoals ze in de eerste dertig jaren van de 20e eeuw werd gespeeld.
 

Wellershaus - Mühlheim-Saarn.

De firma Gebrüder Wellershaus vond haar oorsprong te Remscheid, waar Wilhelm Wellershaus (1764-1821) staande uurwerken vervaardigde.

In 1832 volgde vestiging in het toen nog zelfstandige Saarn a.d. Ruhr door zoon Friedrich Wilhelm (1796-1856) waar kerkorgels en tafelklavieren gemaakt werden . Kleinzoon Julius Wellershaus (1828-1911) ging over op de bouw van kleine cylinderdraaiorgels, de zg. buikorgels, door rondtrekkende muzikanten met een riem voor de buik gedragen of later op een poot geplaatst (pootorgels).

Achterkleinzoon August (1861-1927) en Wilhelm (1867-1910) vormden de firma Gebrüder Wellershaus. Onder hun leiding begon het bedrijf grotere cilinderorgels te bouwen. Pas vrij laat ging het bedrijf over op het bouwen van boekorgels en de meeste nu bekende Wellershaus-orgels hebben hun carrière begonnen als cilinderorgel.

Tenslotte hebben de achter-achterkleinzoons August Jr., geboren 1897 en Emil, geboren 1900 en beiden overleden in het midden der  jaren '60 de orgelfabriek onder dezelfde naam voortgezet. Na 1918 werden in het bedrijf naast kermisorgels ook piano's en grammofoons vervaardigd.
 

Fritz Wrede - Hannover

Fritz Wrede werd geboren op 7 juli 1868 te Hannover -Kleefeld. In 1880 maakte hij kennis met draaiorgelbouw bij zijn oom Georg Bayer, die orgelreparateur was. In 1885 begon Fritz Wrede zelfstandig, eerst met het bouwen van kleine draagbare cylinderorgels: buikorgeIs. Deze orgeltjes hadden nog geen pijpen maar tongwerken, zgn. melotons. In 1890 waren de cilinderorgels al wat groter en van pijpen voorzien. 

Na 1900, toen in Duitsland in navolging van Frankrijk het boekensysteem haar intrede deed, werd begonnen met de bouw van boekorgels. Het klavier werkte volgens het luchtdruksysteem. De kleinste boekorgels hadden 45 Tonstufen (luchtgaten in het klavier), de grootste 80. Wrede exporteerde naar meer dan 10 landen, ook overzee. 

In 1914 moest de orgelindustrie stop gezet worden om na de eerste wereldoorlog hervat te kunnen worden. In 1933 leed de firma grote verliezen door de inflatie: in 1937 begon de intrede van radio en grammofoon echt merkbaar te worden zodat nieuwe orgels niet meer gebouwd hoefden te worden, men beperkte zich tot reparaties. Op 28 maart l944 werd Fritz Wrede in zijn werkplaats gedood bij een geallieerde luchtaanval; dit betekende het einde van de firma Wrede.