Andere mechanische muziekinstrumenten. |
|
| Carillons | |
Toen in de rijke en zuinige Nederlanden de eerste klokkenspelen in de torens verschenen bleek al spoedig dat het inhuren van een klokkenist de stad veel geld kostte. Bovendien waren de arbeidsomstandigheden boven in een koude, winderige toren niet optimaal te noemen. De oplossing van dit probleem lag in het automatisch torencarillon. Aan iedere klok werden een of meer hamers bevestigd, die via ijzeren draden verbonden waren met een stel toetsen, Deze werden opgelicht door ijzeren nokken die in een grote ijzeren trommel werden geschroefd. Liet men deze trommel ronddraaien dan speelde het carillon automatisch; meestal voorafgaande aan de uurslag van het torenuurwerk, vaak ook ieder kwartier een kort stuk. Veel torencarillons in de Nederlanden worden nog steeds op deze manier automatisch bespeeld. |
een van de
oudste automatische carillons (1570) in de toren van de Nieuwe kerk in Delft is nog steeds
in gebruik. |
| Piano's | |
1. Cilinderpiano's.Al vrij spoedig na de uitvinding van de piano kwamen de eerste automatisch spelende piano's. Vooral in de 19e eeuw kwam de cilinderpiano in zwang. De meeste cilinderpiano's werden gebouwd in Italië en Spanje en ook in Frankrijk. Kleine modellen waren draagbaar en werden veel gebruikt door straatmuzikanten. Zo zijn ze nog, op vele plaatsen overal ter wereld, te zien en te horen (o.a. in Italië, Griekenland, Turkije, de Nederlandse Antillen en andere Caraibische eilanden).
Grotere modellen
werden op wagens geplaatst en vervulden vooral in Italië en Spanje de rol die het
draaiorgel in Nederland speelt. Ook hier trokken trouwens voor de Tweede Wereldoorlog een
aantal Italianen met hun cilinderpiano's rond.
|
2. Boekenpiano's. De grote houten
cilinder met stalen pennen waarop de muziek van de cilinderpiano staat laat niet meer dan
8 tot 10 melodieën van beperkte duur toe. Dat leidde ongeveer 150 jaar geleden tot de
uitvinding van piano's die werden bespeeld door series houten plankjes (Antiphonel,
Debain, 1846), stapels dikke kartonnen platen (Cartonium, Testé, 1861) en zigzag
opgevouwen kartonstroken (Fourneaux 1884). Hiermee konden stukken van onbeperkte lengte
worden gespeeld. Boekenpiano's werden vooral binnenshuis gebruikt. 3. Pianola's en reproductiepiano's.Omstreeks 1900 vond Welte te Freiburg in Duitsland de piano met papieren rollen uit. Rollen voor deze piano's konden goedkoop in grote hoeveelheden worden gemaakt. Vooral toen de Amerikaanse Aeolian-fabriek begon deze mechanische piano's in grote hoeveelheden tegen een redelijke prijs te maken werd de pianola, zoals hij in Nederland werd genoemd, ongelooflijk populair. Er ontstonden twee
typen: de gewone pianola, die door de bespeler met twee pedalen een een aantal hendeltjes
werd "bespeeld", waarbij zowel het tempo als de expressie (luid of zacht) konden
worden geregeld, en anderzijds de reproductiepiano's, waar dit alles op de rol was
geprogrammeerd, en waarvan de stukken zelfs door beroemde pianisten uit die tijd in de
fabrieken werden ingespeeld. Tot in de late jaren 1920 waren deze reproducties veel beter
dan de toen nog primitieve gramofoons. |
Cithers. |
|
Er zijn weinig voorbeelden van automatische cithers. Mogelijk hangt dit samen met het feit dat cithers bij uitstek licht en draagbaar moesten zijn. Tegen de tijd dat dit technisch mogelijk was, was de populariteit van het instrument al tanende. De meest bekende automatische cither was de Triola.
rechts: Triola cither, spelend met papieren rollen. Alleen de melodiesnaren worden bediend; de bespeler moest dus zelf de bassen en begeleidingssnaren (links) bedienen. |
![]() |
| Banjo | |
| De banjo, een typisch
Amerikaans instrument met wortels in Europa en Afrika, werd pas laat geautomatiseerd. In
1897 kreeg C.B. Kendall een patent op de automatisch banjo, die hij onder de naam Encore
produceerde. De eerste banjo's hadden een luchtklavier; latere modellen werkten geheel
electrisch. Encores werden in die tijd niet verkocht; ze werden in Amerikaanse saloons en
bars geplaatst tegen een deel van de opbrengst. Het avontuur duurde niet lang: al in 19..
moest de maatschappij liquideren. Tegenwoordig worden weer banjo's gerestaureerd uit de
bewaard gebleven onderdelen.
rechts: Bovenstuk van een Encore-banjo. Het mechaniek voor de papieren rollen zit in het onderste deel. Vier metalen vingers plukken aan de snaren. Als men de constructie ziet is het bijna verwonderlijk dat deze dunne snaren het lang uithielden. |
![]() |
| Harmoniums en accordeons. | |
Zowel harmoniums als accordeons maken geluid door lucht te blazen langs een metalen tongetje. De dikte en lengte ervan bepalen toonhoogte en timbre. Tongen nemen veel minder plaats in dan orgelpijpen of snaren; daarom waren deze instrumenten gemakkelijk draagbaar te maken. 1. Accordeons.Accordeons waren
vooral in Frankrijk en Italië populair, hoewel ook Hohner in Duitsland een automatisch
accordeon leverde. De draagbare types werden vooral gebruikt door straatmuzikanten. Vooral in Frankrijk
werden een aantal grotere automatische accordeons gebouwd. Met slagwerk toegevoegd stonden
ze vooral in café's en danszaaltjes. Er waren typen met een enkel, maar ook met meerdere
accordeons: hele orkestjes!
|
Harmoniums en tongorgels. Cilinderharmoniums
werden, net als cilinderpiano's en -orgels, al rond 1850 gebouwd. Ze waren op straat te
vinden, maar in kleinere vorm ook in huiskamers van gegoede families. Na 1890 begon men in
Duitsland, en later ook in de Verenigde Staten, ook kleine harmonium-achtige instrumenten
te bouwen. Door de grote productie waren deze tongorgels of organettes relatief goedkoop
en werden rond 1900 in vele huizen van de Europese en Amerikaanse middenklasse te vinden.
De papieren of kartonnen schijven, banden of rollen konden goedkoop in grote aaltallen
worden vervaardigd en vormden een voorloper van de latere gramofoon. |
Speeldozen |
|
Speeldozen en torencarillons hebben meer met elkaar gemeen dan op het eerste gezicht lijkt. Al in de 17e eeuw werden pogingen gedaan om binnenshuis miniatuurcarillons te laten klinken. Deze speelden meestal door middel van platte bellen, die genesteld op een rij waren aangebracht; meestal in een groot uurwerk.
Hoe fraai deze
miniatuurcarillons ook waren, ze namen nog steeds vrij veel plaats in. Dat veranderde toen
Antoine Favre in 1796 een revolutionaire uitvinding deed: in plaats van bellen
gebruikte hij stalen tanden, die rechtstreeks door de pinnetjes van een metalen cilinder
werden aangetokkeld. Nu konden speelwerken zelfs zo klein worden gemaakt, dat ze in een
flink vestzakhorloge pasten! Favre's vinding werd
al spoedig massaal toegepast. Er verschenen speelwerken in elke denkbare grootte. Na de
uitvinding van de enkele speelkam (de stalen plaat waaruit de tanden worden gefreesd) kwam
langzamerhand een ware massaproductie op gang. Er kwamen speeldozen met meerdere
speelkammen, een of meerdere cilinders, automatische wisselaars, etc. etc. De speelwerken
werden in ieder denkbaar voorwerp ingebouwd; van simpele maar fraai bewerkte dozen tot
stoelen, naaidozen, sigarenhouders, huisbars (zogenaamde drankorgels), kinderspeelgoed,
kerstboomstandaards en zelfs toiletbrillen toe!
|
Kitsch? Mariabeeldje met wijwaterbakje, kaarsenhouder en een klein speelwerkje in de glazen voet. In de laatste jaren van de 19e eeuw werd een nieuwe uitvinding gedaan: het sterwiel. Dit bestond uit een rij kleine tandwielen van een bijzondere vorm. Nu werd het mogelijk de tanden van de speelkam(men) door deze sterwielen te laten bespelen, terwijl aan ze aan de andere kant werden verdraaid door uitsteeksels in een stalen of zinken plaat: de platenspeeldoos was geboren. Net zoals bij de automatische piano's konden deze speeldoosplaten betrekkelijk goedkoop en massaal worden gemaakt. Terwijl de meeste cilinderspeeldozen in Zwitserland en Frankrijk werden vervaardigd, waren de meeste platenspeeldozen afkomstig uit Duitsland: inderdaad, uit Leipzig en omgeving, net als tongorgeltjes. Ook in de Verenigde Staten ontstonden enige grote fabrieken, gesticht door voormalige werknemers uit Duitsland.Ook platenspeeldozen werden in iedere denkbare grootte gemaakt. De grotere modellen werden vaak gebruikt in restaurants en op spoorwegstations. Ze speelden dan tegen een muntinworp; ook werden ze gecombineerd met snoepjes- of chocoladeautomaten.
|
| Orgels | |
De
oudste vermeldingen van automatisch spelende orgels dateren uit de Renaissance. Bij enige
Italiaanse villa's werden zogenaamde waterorgels gebouwd, die aangedreven werden door
water uit een omgelegde beek.
Net zoals bellen of speelwerken werden orgels ook vaak in uurwerken gebouwd; men spreekt dan van Flötenuhren. Deze werden van oudsher op vele plaatsen in Europa vervaardigd. Later, in de 19e eeuw, kwam het zwaartepunt van de productie in het Duitse Zwarte Woud te liggen.
De geschiedenis van de met de hand gedraaide orgels begint met het kanarieorgel of serinette. Deze vrij primitieve instrumenten werden vanaf het eind van de 17e eeuw vervaardigd om allerlei vogels aan te zetten tot het fluiten van een bekend wijsje. Voor grotere vogels werden de varianten "Pionne" (voor merels) en "Perroquet" (voor papegaaien) gemaakt. Vermoedelijk zijn de straatdraaiorgels uit deze instrumenten ontstaan.
|
Vanaf het eind van de 18e eeuw verschenen steeds meer draaiorgels in de straten van Europese steden. Ze werden vooral gebruikt om de aandacht van het publiek te trekken; in combinatie met een kijkdoos, marmottenkooi of als begeleiding van acrobaten of goochelaars. Vaak werden kinderen ingezet voor het orgeldraaien. In die tijd bestond er nog geen leerplicht!
Vooral in Duitsland werd het draaiorgel vaak gebruikt als begeleiding van straatzangers; ook in Nederland kwam dit vaak voor. Omdat op de cilinder meestal acht korte stukken waren genoteerd waren vooral liederen met veel coupletten en refreinen zeer geliefd; de cilinder werd zo vaak doorgedraaid als het nummer duurde. De tekst, verlucht met soms nogal "realistische" plaatjes, was op grote lappen stof geschilderd. Vanwege de droevige inhoud van de liederen werden deze lappen hier te lande wel aangeduid als "smartlap". Nog later ging deze naam over op de liederen zelf.
Londen, Notes & queries, 2 februari 1856: In de straten van Londen zijn er nu veel
Franse orgels die heel opmerkelijk zijn vanwege het nieuwe en bijzondere karakter van hun
fluiten en gamba's. Sommige ook vanwege hun hoorns en trompetten. Ik zie dat de uitvinding
wordt opgeëist door een Italiaan en is gepatenteerd door een Parijzenaar. Kan iemand van
uw lezers mij inlichtingen geven of onze nieuwe Engelse orgels van deze tonen bezitten, zo
nieuw voor de Engelse oren? En zo ja, waar zijn de orgels waarin ik ze zou kunnen vinden? Deze waarderende woorden sloegen op een nieuw type straatdraaiorgel, dat vanaf ongeveer 1850 in Parijs en Modena werd gemaakt. De bouwer en uitvinder Gavioli was verantwoordelijk voor deze opmerkelijke verbetering in het geluid van draaiorgels. Hij en zijn nazaten zouden tot 1912 de belangrijkste Franse fabrikanten van draaiorgels worden.
Toen na ongeveer 1880 de attracties op de kermissen meer en meer door stoommachines werden aangedreven kochten steeds meer kermisexploitanten een draaiorgel om hun zaak aantrekkelijker te maken voor het publiek. Mede door de opleving van de economie werden deze orgels steeds groter. Na de uitvinding van het boekorgel in 1892 werden grote draaiorgels ook interessant voor gebruik in danszalen, vooral omdat het muziekrepertoire gemakkelijk kon worden uitgebreid of vervangen. Hier vangt de geschiedenis aan van het Nederlandse draaiorgel, dat vooral op straat een geheel andere ontwikkeling zou gaan doormaken dan in andere landen van Europa. |