Straatdraaiorgels
Merkwaardig genoeg liggen de
wortels van wat we nu het (straat)draaiorgel noemen niet in Nederland. Vroeger, voor
1900, bestond het begrip draaiorgel nog niet zoals we het nu kennen.
Straatdraaiorgels waren, zoals in de meeste andere landen van Europa, kleine instrumenten
die met een riem om de nek werden gedragen (buikorgel), of bij het spelen werden
ondersteund door een uitklapbare poot (pootorgel). Soms werden ze op een klein karretje
geplaatst.
Hein de Bruin, de laatste
pootorgelmuzikant van Amsterdam, omstreeks 1920
Orgelverhuurbedrijven als Leon
Warnies in Amsterdam, Goudswaard in Rotterdam and Denies in den Haag begonnen al rond 1902
boekorgels in het buitenland te kopen. De eerste boekorgels werden geleverd door Franse
fabrieken als Gasparini en Gavioli in Parijs; later, na 1910, werden veel zg.
Orchestrophone-orgels besteld bij Limonaire Frs. and Marenghi. In de eerste wereldoorlog
konden de Franse fabrieken niet leveren, dus werden orgels gekocht in België, onder
andere bij Bursens, Devreese, Steenput, en anderen. Al deze Franse en Belgische orgels
waren bij de bouw bedoeld voor gebruik als kermis- of danszaalorgel. Vele daarvan werden
toen daadwerkelijk voor dat doel verhuurd. Met name kermisexploitanten vonden het handig
om een orgel te huren als ze in een grote stad stonden. Ze konden dan hun eigen orgel
laten stemmen, repareren of van nieuwe muziekstukken laten voorzien.

Limonaire 56 toets
orchestrophone "Engelenkast" in gebruik als straatorgel in Rotterdam,
1914 |
|
Al snel bleek dat deze
orgels een paar vervelende gebreken vertoonden. Omdat ze vol stonden met tongpijpen zoals
clarinetten, saxophones en de bij het publiek zo geliefde "menschelijke stem" of
vox humana raakten deze instrumenten snel ontstemd tijdens hun dagelijkse tocht over de
hobbelkeien van de grote steden. Door het toenemende verkeerslawaai, onder andere van de
auto waren ze steeds moeilijker te horen. Als gevolg hiervan werden de meeste oude orgels
in de jaren '20 en '30 verbouwd. In het begin van de jaren '20 vestigde de Duitse orgelbouwer,
componist en muzieknoteur Carl Frei zich in Breda. Het was Carl Frei die de meeste oude
Franse en Belgische orgels verbouwde en ze daarbij de klank gaf die nu typerend is voor de
straatorgels in Nederland.
Bij het zoeken naar een register dat de oude, kwetsbare clarinet- en vox humanaregisters
zou kunnen vervangen ontwikkelde hij een nieuw register, dat bestond uit twee rijen
gestopte pijpen met zeer helder klankkarakter, waarvan de ene rij een klein beetje hoger
gestemd werd dan de andere. Hij noemde dit register "bourdon celeste". Dit
geluid werd al spoedig geliefd bij een groeiende schare orgelliefhebbers, zodanig dat de
gemeente Rotterdam in de jaren 30 een draaiorgelverbod instelde! Het glasachtig
heldere geluid van de bourdon wordt tegenwoordig door luisteraars als typisch voor een
Nederlands straatorgel beschouwd.

90-toets Carl Frei orgel
"de Pod" in de jaren '30 (genoemd naar de bekende Amsterdamse orgelman Jan de
Vries, bijgenaamd "de pod")
Behalve het verbouwen
van de oude orgels begon Carl Frei nieuwe orgels te verbouwen volgens dit principe. De
grootste daarvan, met 90 toetsen. waren ware "straatkastelen". Vele daarvan
bestaan nog, geliefd bij velen in binnen- en buitenland. |