|
| |
|
|
| Accompagnement, serie pijpen op aparte toetsen spelend en
bedoeld om de rhytmische en harmonische ondersteuning van de muziek te verzorgen. Bestaat
meestal uit een rij gedekten en een rij open of gedekte pijpen die een octaaf hoger
klinkt. In sommige orgels kunnen de accompagnementen versterkt worden door het register forte.
Afsluiter of Déclanche is een
inrichting die alle niet meer te gebruken registers uitschakelt. De meeste orgels met
registers beschikken over een enkele afsluiter; soms zijn er aparte afsluitertoetsen voor
zang en tegenzang.
Arreteerkastje, zie registerkast |
| Baarden aan orgelpijpen zijn schotjes, latjes of andere
uitsteeksels rond de pijpmond die bedoeld zijn om de luchtstroom beter te richten en een
meer vaste toon te veroorzaken.
Balg, inrichting om samengeperste
lucht in het orgel te pompen. In de meeste orgels ligt een blaasbalg met centrale
scheppers en vier windkamers (zie tekening).
Bariton, tongwerk met
cilindrische schalbekers, meestal van hout, en met de klankopening vooraan om invallen van
stof tegen te gaan en om ongewenste boventonen te onderdrukken. Het voornaamste verschil
met het register Saxophone is de hogere ligging van het register.
Baxophone Door de Belgische
orgelbouwer Bax uitgevonden pijpregister, bestaande uit een tongwerk met zeer korte
resonator, waarvan het geluid wordt versterkt door een gestopte resonator. Bijna alleen
gebruikt door Mortier.
Biphone.
Door Carl Frei ingevoerd straatorgelregister, bestaande uit twee rijen pijpen die steeds
op tremulant werken. Op melodie toegepast als 16' gedekte samen met een rij vioolpijpen,
op tegenzang bestaande uit twee rijen 8' gedekten, céleste gestemd.
Boekorgels,
alle orgels die spelen met behulp van zigzag gevouwen kartonnen boeken.
Bombardon
Lange, laag klinkende tongwerken, bedoeld om het gelijknamige blaasinstrument te imiteren.
Zie ook trombones.
Bourdon
(céleste) Typisch straatdraaiorgelregister, bestaande uit twee rijen gedekte pijpen,
waarbij een van de rijen iets hoger wordt gestemd dan de ander. Gebruikt in Belgische
orgels als 4-voets stem op tegenzang. Carl Frei paste het register, veel boventoonrijker
geïntoneerd, toe als melodieregister. Bourdons werden zó populair dat straatorgels
zonder bourdonregister zeldzaam zijn geworden.
Boursette, Franse naam voor een
orgelmembraan. (zie fig.). In Nederland verbasterd tot bouchette of bourchette.

Bovenbassen, zie zolderbassen.
Bruder - Waldkirch
Grondlegger van de Waldkircher
orgelindustrie was Ignaz Bruder I (1780-1845), die waarschijnlijk in Mirecourt in
de Vogezen kennis had gemaakt met de draaiorgelbouw. Hij is voor verscheidene Duitse
orgelbouwers de leermeester geweest, onder meer voor de later beroemd geworden Andreas Ruth.
Vier van zijn zonen stichtten de firma Gebrüder Bruder: Andreas (1807-1859), Ignaz
II, Xaver en Wilhelm.
Twee zonen van laatstgenoemde
Wilhelm, namelijk Wilhelm II (1841-1893) en Arnold (1842-1918 stichtten een
eigen orgelfabriek onder de naam Wilhelm Bruder Söhne, later voortgezet
door hun kinderen en kleinkinderen.
Twee zonen van Ignaz II bouwden orgels onder de naam Ignaz Bruder Söhne.
Een kleinzoon van Andreas, Richard
Bruder (1862-1912) werd, na korte tijd medefirmant van de Gebrüder Bruder te
zijn geweest, toch weer zelfstandig. In l898 werd Richard directeur van het in dat jaar in
Waldkirch gestichte filiaal van de Franse orgelfabriek Gavioli.
Later ging deze fabriek over in hand en van Limonaire Frères,
een andere bekende Franse orgelfabriek. Na het overlijden van Richard in l912 nam zijn
zoon Alfred Bruder (1889-1937) de leiding van Limonaire Frères Waldkirch op
zich. Hij moest echter reeds in 1913 onder de wapenen en de fabriek werd gesloten. Na 1918
stichtte Alfred een zelfstandig bedrijf. Hij bouwde vooral orgels volgens het systeem Ruth
model 33 en ontwikkelde een eigen stijl naar voorbeeld van de andere Bruder bedrijven.
Buik. Vooruitstekend deel van het
front, altijd aan de onderzijde van het middendeel, onder de poort. In de ruimte achter de
buik worden een of meer registers pijpen opgesteld, zoals flûte harmonique, vox humana of
baxophone.
Bursens-
Antwerpen
In de te Hoboken bij Antwerpen gevestigde fabriek van Bursens
werden diverse types draaiorgels gebouwd. Vooral de produktie van danszaalorgels was zeer
belangrijk. Joseph Bursens is de grondlegger van het in 1908 gestarte bedrijf; voordien
werkte hij bij de orgelfabriek van Mortier (Antwerpen). In zijn vrije tijd maakte hij
reeds orgels voor eigen rekening. Sinds 1928 werkte men onder de naam ARBURO,
een samentrekking van Arthur Bursens & Roels. In dat jaar namen Arthur Bursens en
Gustaaf Roels het bedrijf van Joseph Bursens over. Er werden naast draaiorgels nu ook
orchestrions gefabriceerd. Een zeer beroemd produkt uit de jaren dertig was het
''rollenorgel'': dit speelt op papieren rollen in plaats van op boeken. Daardoor was het
veel goedkoper in gebruik, wat noodzakelijk was in verband met de toenmalige crisisjaren.
De rollen waren massaprodukten. Na de Tweede Wereldoorlog beleefde het bedrijf gouden
tijden , doch in de loop van de tijd werd de vraag naar orchestrions steeds kleiner. G.
Roels trok zich in 1950 uit de zaak terug en zijn deel werd overgenomen door Frans de
Groof. De naam ARBURO bleef echter behouden. In zijn laatste levensjaren bouwde Arthur
Bursens nog een aantal straatdraaiorgels voor Nederlandse eigenaren. |
| Cancellen. Onderverdeling van de windlade.
Als de onderverdeling eerst per toon gebeurt spreekt men van tooncancellen.
Sommige systemen werken met een indeling waarbij de wind eerst per register wordt
verdeeld: men spreekt dan van registercancellen. Franse en
Belgische draaiorgels zijn meestal gebouwd als een combinatie van deze systemen. Daarbij
worden de tooncancellen vooral gebruikt bij wijze van relais.
Céleste. Letterlijk:
"Hemels". Toevoeging aan registers waarvan een rij pijpen iets hoger of lager is
gestemd. Dit geeft een zwevend effect. Zie ook viool céleste of bourdon céleste.
Cello. Licht strijkend
geïntoneerde pijpen op tegenzang, in 8' of 16' ligging. In het laatste geval cello-grave
genoemd.
Cilinderorgel, orgel dat bespeeld
wordt door een ronddraaiende, meestal houten, cilinder. Algemeen gebruikt tot ongeveer
1900, daarna langzamerhand verdrongen door boekorgels. |
| Davrainville.
Decap.
Gebr. Decap - Antwerpen
In 1902 stichtte Alois Decap een eigen orgelbedrijf te Antwerpen. Zijn zonen Livien,
Frans, Leon en Camille vormden vlak na de eerste wereldoorlog de firma Gebroeders Decap.
Ze bouwden vooral dansorgels; maar in de jaren 1920 ook straatorgels voor Nederland, en
kermisorgels. Na 1930 werden weer voornamelijk danszaalorgels gebouwd; deze varieerden van
72 tot niet minder dan 121 toets. Van 1960 af fabriceerde het bedrijf uitsluitend
mechanisch spelende electronische muziekinstrumenten bestemd voor gebruik in een danszaal,
soms dan nog voorzien van enkele rijen orgelpijpen. Ook werden een aantal robot-orkesten
vervaardigd, die bestonden uit een aantal bewegende metalen poppen, die verschillende
instrumenten "bespeelden". Sinds ongeveer 1980 bouwt men echter weer pijporgels.
Frans Decap - Herentals
Frans Decap, een van de zonen van Alois (zie boven), vestigde begin 1930 een eigen bedrijf
in Herentals. Deze firma bouwde voornamelijk danszaalorgels. Rond 1935 leverde dit bedrijf
echter ook een aantal straatdraaiorgels af die gekenmerkt waren door hun moderne
gestyleerde fronten. Ook dit bedrijf is anno 2005 nog actief en levert mechanische
muziekinstrumenten die een combinatie vormen van klassieke dansorgels met toevoegingen als
electronische (MIDI)-sturing en mogelijkheid om mee te zingen (Karaoke).
Déclanche (Fr) zie afsluiter.
Druif, handvat van het draaiwiel.
Drukwindklavier zie luchtklavier |
| Exhauster, zie windmachine. |
| Flessenorgels. In het begin van de vorige eeuw
introduceerde de Franse fabriek Gasparini een glazen alternatief
voor de xylophone: de bouteillophone. Dit register bestond uit een aantal glazen
flessen die op verschillende hoogte met water waren gevuld. Door aanslaan ontstond een
mooie heldere toon, die wel iets van een xylophone weg had. Ook in Nederland hebben een
paar "flessenorgels" dienst gedaan. Verhalen dat de flessen alcohol of zelfs
jenever bevatten zijn uit de lucht gegrepen (in Frankrijk ging hetzelfde verhaal, maar dan
met wijn in de flessen).
Flûte Harmonique of overblazende
fluit. Orgelpijpen met een dubbele lengte. Deze worden zo geïntoneerd dat ze niet de
grondtoon maar het octaaf van de pijp weergeven. Om de toon stabiel te houden wordt
meestal een klein gaatje in het midden van de pijp geboord. Overblazende pijpen hebben een
andere boventoonopbouw dan andere pijpen. Ze waren vooral populair in de jaren twintig van
de twintigste eeuw.
Forte,
letterlijk "sterk". Het register met deze naam schakelt op verschillende
plaatsen in het orgel pijpwerk (en soms slagwerk) in om het effect van forte te
bewerkstelligen. Vooral toegepast in kermisorgels.
Carl Frei, Breda - Waldkirch.
Gedurende de bloeiperiode van het
draaiorgel tussen de beide wereldoorlogen nam Carl Frei (1884-1967) in Nederland
een wel zeer bijzondere plaats in. Reeds op negenjarige leeftijd kreeg hij aan de
muziekacademie te Waldkirch onderricht in harmonieleer en contrapunt. Van zijn veertiende
jaar af was hij werkzaam bij gerenommeerde fabrieken zoals Bruder, Gavioli te Waldkirch en
Parijs, Mortier en De Vreese. Na de eerste wereldoorlog vestigde hij zich te Breda. Na de
tweede wereldoorlog verhuisde hij gedwongen naar Waldkirch, samen met zijn vakbekwame zoon
Carl Frei jr. Daar zette hij zijn bedrijf voort; er werden voornamelijk
kermisorgels gebouwd en verbouwd. Na zijn overlijden werd het bedrijf voortgezet door zijn
zoon Carl Frei jr.
Naast de grote verdiensten die Frei had als arrangeur en componist is hij vooral beroemd
geworden door het introduceren van een nieuwe klankstructuur in de straatdraaiorgels. In
de eerste plaats was dit de helder geïntoneerde bourdon
céleste op zang. In instrumenten van andere fabrikanten werd doorgaans een zacht
klinkende bourdon op tegenzang toegepast. Deze gelijkmatig zwevend gestemde bourdon
werd in de draaiorgelwereld zó geliefd dat ook andere orgelbouwers dit register gingen
toepassen. Frei liet voorts het register viool versterken met een register viool céleste, eveneens zwevend gestemd. Ook introduceerde hij werd
het register unda maris op tegenzang, terwijl in de grote (72- en 90-toets) orgels nog
eens registers met de namen bifoon I (op zang) en bifoon II (op
tegenzang) werden aangebracht.
Frein (Harmonique), zie snijbaard.
Front. Voorkant
van een orgel, dat bij het spelen naar de luisteraar is gericht. De meeste orgelfronten
zijn tegenwoordig geschilderd in heldere pastelkleuren. Vroeger waren de fronten minder
kleurig, en in de 19e eeuw zelfs meestal zwart of bruin, met slechts verguldsel als
ornament. In niet-verbouwde toestand zijn veel draaiorgelfronten een
"visitekaartje" van de orgelfabriek, met een eigen stijl. Helaas zijn de meeste
Nederlandse straatorgelfronten zodanig verzaagd en veranderd dat de oorspronkelijke stijl
niet meer herkenbaar is. |
Gasparini - Paris
De in Parijs gevestigde firma Foucher -
Gasparini werd opgericht in 1865. Gasparini was afkomstig uit Italië. Vooral in de
periode tussen 1903 en 1910 werden in ons land vooral straatorgels van het fabrikaat
Gasparini geïmporteerd. Eén van de kenmerken voor deze orgels is de ronde vorm van het
front met vele krullen en andere versieringen. Na 1910 werd de leidinggevende positie op
de Nederlandse markt overgenomen door de firma Limonaire, die eveneens te Parijs was
gevestigd.
Gavioli &
Cie, Paris
De firma Gavioli is een van de de oudste
orgelfabrieken in Frankrijk en is steeds toonaangevend in deze branche geweest. De
fa. Gavioli had filialen in vele steden zoals Barcelona, Manchester, New York en
Waldkirch.
Reeds Giacomo Gavioli (1786-1875),
wonend in Modena [Italië], hield zich o.a. bezig met de ontwikkeling van vele automatisch
spelende muziekinstrumenten, waaronder een voorloper van het draagbare buikorgel.
Zijn zoon Ludovico Gavioli I
(1807-1875) heeft samen met zijn vader aan de verdere ontwikkeling van het draaiorgel
gewerkt. Ook bouwde hij de ,,Panharmonico'', reeds een groot orgel. In 1858 werd een
filiaal in de handelsmetropool Parijs geopend. De orgelwerkplaats te Modena werd in 1862
gesloten.
De drie kleinzoons Anselme, Henri en
Claude bleven de branche trouw, al was ieders inbreng verschillend. Belangrijk is het
patent op het pneumatische aftastsysteem door Anselme Gavioli in 1892, waardoor in plaats
van een houten cilinder kartonnen boeken van onbeperkte lengte gebruikt konden worden.
Deze boeken, waarin gaten geponst of gekapt zijn, worden in een klavier door toetsen
afgetast. De lengte van de muziekstukken was nu niet meer aan de omtrek van de houten
cilinder gebonden. Claude Gavioli ontwikkelde veel patenten op het gebied van tongorgels.
Deze werden in licentie gebouwd door Thibouville.
In 1903 werd de firma veranderd in een NV.
De achterkleinzoon Ludovico II, zoon
van Anselme, heeft het einde van het bedrijf door allerlei tragische omstandigheden in
1912 meegemaakt. Het restant van het bedrijf werd overgenomen door Limonaire Frs.
Gedekte pijpen. Pijpen die aan het uiteinde zijn dicht gemaakt
met een stop die de pijp luchtdicht afsluit. Gedekte pijpen klinken ongeveer een octaaf
lager dan open pijpen van dezelfde lengte. Ook is het timbre wezenlijk anders dan van open
pijpen, omdat ze bepaalde boventonen missen.
Grondbassen, baspijpen die onder de
bodem van het orgel zijn aangebracht om ruimte te sparen. Bijna alle grondbassen bestaan
uit gedekte pijpen. De grondbassen spelen op eigen toetsen. De meeste draaiorgels hebben
er 6 of 8, maar meer of minder komen ook voor. |
| Handdraaiorgel. Duits: Drehorgel, Frans: orgue de
Barbarie. Klein draaiorgel, bedoeld om met de hand te draaien. Uitgevoerd als buikorgel
(wordt met een riem om de hals gedragen) of op een karretje geplaatst. Tot voor kort in
geheel Europa algemeen straatinstrument, na 1900 alleen in Nederland verdrongen door het
grote rijdende boekorgel, dat overigens tot in de jaren vijftig ook grotendeels met de
hand werd gedraaid!
Helper, rij pijpen die
toegevoegd wordt aan tongwerken om de klank af te ronden. Helpers zijn meestal gedekten of prestantachtigen.
Hooghuys - Geraardsbergen
Louis Hooghuys te Geeraardsbergen
(Grammont) in België is in 1880 begonnen met de bouw van draaiorgels. Zijn specialiteit
was de bouw van kermisorgels. De zaak is later voortgezet door zoon Charles en weer later
kreeg kleinzoon R. Charles het bedrijf in handen. Tot voor enige jaren werd het bedrijf
uitgeoefend.
Hooghuys vormde een uitzondering op de
Belgische orgelbouwers in die zin dat naast dansorgels ook instrumenten met een sterker
volume werden gemaakt die bedoeld waren voor de kermis. Gebruik werd gemaakt van
technieken uit de Duitse draaiorgelbouw en de kerkorgelbouw. Qua klank stonden Franse
orgels als voorbeeld. Zo is een zeer specifiek type orgel ontstaan. Er werd geen
uitbreiding gezocht in het aantal pijpen maar door een optimaal gebruik van alle
mogelijkheden kon toch tegemoet worden gekomen aan wensen om orgels machtiger te laten
klinken .
Hupfeld - Leipzig |
| Imhof & Mukle
Intoneren. Het zodanig bewerken van
orgelpijpen dat ze allemaal hetzelfde en gewenste geluid voortbrengen. Dit gebeurt door
veranderingen in kernspleet en opsnede aan te brengen. Een intoneur bepaalt de klank van
het orgel. |
| Jazz-fluit. Imitatie van de
"swanee-whistle" of schuiffluit. In de achterzijde van de open of gedekte
fluiten is een klepje aangebracht dat door middel van de tremulant in snel tempo wordt
geopend en gesloten. Het effect doe in de verte denken aan een sopraanstem met veel
vibrato. Vanaf de jaren 1920 toegepast door Mortier, later ook door Decap.Een echte,
schuivende, jazzfluit werd toegepast door de orchestrionfabrikant Popper. |
 |
|
| Kap, deel van het front dat boven op de middenkast staat.
De kap van straatdraaiorgels is scharnierend uitgevoerd, zodat hij boven op de orgelkast
kan liggen als het orgel wordt ingepakt.
Kappen noemt men het ponsen van
gaten in het orgelboek, op de plaatsen die door de noteur zijn bepaald in zijn
arrangement. Bij de algemeen in gebruik zijnde kapmachines wordt de notatie
tijdelijk op het aanstaande boek geplakt of geschabloneerd. Daarna wordt het tegen de
aanslag van de kapmachine gedrukt, waarna een beitel de gaten uiterst nauwkeurig in het
boek slaat. Voor toetsenklavieren worden rechthoekige gaten gebruikt, voor luchtklavieren
ook ronde. De laatste jaren zijn ook automatische kapmachines in gebruik, die
rechtstreeks vanaf een electronisch bestand (op een diskette) werken. De zo gemaakte
boeken zijn herkenbaar aan de langwerpige sleuven met ronde hoeken. Op een goed afgesteld
klavier is het resultaat niet merkbaar; anders treden er onregelmatigheden in de muziek
op.
Kattebellen is een Amsterdamse
uitdrukking voor een register met de Franse naam "Grélotophone" of
"Grillophone". Het register bestaat uit een aantal leren riemen waarop ronde
bellen met daarin een kogeltje gemonteerd zijn. Aan elke riem is een luchtbalgje bevestigd
die de riemen doet schudden. Marenghi kreeg patent op deze constructie in 1914. Volgens
Wieffering zouden ook veel Limonaire-orchestrophones zijn uitgerust met zo'n register. Het
wordt op de platenlabels van de "Engelenkast" wel aangeduid, maar omdat er geen
enkele afbeelding van bestaat zou dit wel eens het enige Nederlandse Limonaire-orgel met
zo'n register geweest kunnen zijn.
Kegellade. Tooncancellade met
kegelvormige ventielen op steeltjes, die door een membraan worden geopend en gesloten. De
platte variant wordt tollenbak genoemd.
Kettingregister.
Register dat niet via een registerkast in werking wordt
gesteld, maar door een doorlopend gat in het orgelboek. Kettingregisters worden vaak
toegepast in kermisorgels met weinig registers en een luchtklavier. De doorlopende reeks
gaatjes in het orgelboek doet denken aan een ketting.
Keurders
waren mensen die veel bij straatorgels te vinden waren en binnen hun eigen kring bepaalden
welke orgels en noteurs goed waren en welke niet. Zij beweerden alles van draaiorgels
af te weten; later bleek dit tegen te vallen.
Klarinet. Register
bestaande uit cilindrische tongwerken, meestal met een gedekte helper.
Klavier. Elk mechanisch
muziekinstrument wordt bespeeld door middel van een klavier, bestaande uit een aantal op
gelijke afstand liggende aftastpunten, door welke de daaroverheen bewegende muziekdrager
wordt bewogen en afgelezen.
Krop, verbindingsstuk tussen balg en
windlade, van leer gemaakt om eventuele trillingen van de balg niet door te geven aan de
pijpen. |
Lef,
op -- lopen, een orgel exploiteren zonder vergunning.
Leising (Amsterdams), dagopbrengst
van een straatorgel.
Limonaire frères - Paris
De familie Limonaire kwam oorspronkelijk
uit het Baskenland. Antoine Limonaire begon in de 19e eeuw in Parijs met het vervaardigen
en repareren van pianos. Zijn zonen, de gebroeders Camille en Eugène Limonaire,
waren daarna actief onder de naam Limonaire Frères. Het bedrijf maakte voornamelijk
kermisattracties, onder meer fietsmolens, waarbij de inzittenden zelf de molen in beweging
brachten. Nadat zij de orgelbouwer Anciaume in dienst hadden genomen begon het bedrijf
rond 1900 met het bouwen van orgels voor danszalen en kermissen. Het meest verkochte model
was het type met 35 toetsen. In Nederland zijn de grotere modellen met 48, 52 en 56
toetsen het meest bekend; Voor de wereldoorlog van 1914 werden honderden van dit type
orgels in Nederland geïmporteerd. Ze waren bij de luisteraars bekend om hun lieflijke
klank en het register Voix Humaine (menschelyke stem), die op straat beter uitkwam dan de
Gavioli- en Gasparini-orgels die beter voor de kermis geschikt waren. Toch hebben ook vele
van deze "Orchestrophones" in kermisattracties dienst gedaan.
Rond 1912 nam Limonaire de firma Gavioli
over, die toen in grote financiële moeilijkheden verkeerde. Hierdoor kwam ook het
Gavioli-filiaal in Waldkirch in handen van de firma tot de verkoop in 1918. De productie
van orgels in Parijs is vermoedelijk rond 1930 gestopt.
Vrijwel alle Limonaire-orgels in Nederland
werden in de jaren 20 en 30 verbouwd. Vooral Carl Frei in Breda verrichte vele
van deze verbouwingen, waarbij de meeste soloregisters uit de orgels werden verwijderd.
Zij werden vervangen door het zo kenmerkende bourdon céleste-register.
De 48-56- toets gamma van Limonaire is nog
steeds de standaard voor kleinere straatorgels in Nederland.
Loosklep, klep bovenin het magazijn
van het orgel, die open gaat zodra dit vol is. De loosklep voorkomt zo schade aan de
blaasbalgen.
Luizige notatie, keurdersterm
voor slecht gearrangeerde draaiorgelboeken.
Loze toets, klaviertoets zonder
functie.
Luchtklavier
(Engels: keyless frame). Boekenklavier zonder toetsen. De functies worden in- en
uitgeschakeld door het ontsnappen van lucht door de gaten in het orgelboek of papieren
rol. In kermisorgels meestal met overdruk werkend, in orchestrions en pianola's met
onderdruk. In dit geval is er geen aandrukrol nodig. |
| Mansbak, ovaal metalen bakje waarin geld wordt
opgehaald.
Mansen, geld ophalen bij een
straatorgel.
Marenghi - Paris
Charles Marenghi was tot 1903
werkplaatschef bij Gavioli & Cie. Toen deze firma in 1903 een NV werd verliet hij het
bedrijf, kocht de vennoten uit en zette het oude bedrijf voort in de oude fabriek aan de
Place de la Nation, samen met het meeste oude personeel van Gavioli.
Marenghi bleef kermisorgels vervaardigen in
de stijl van de oude Gavioli-fabriek, maar bracht later ook verbeteringen en uitbreidingen
aan. De meeste klanten van Marenghi waren Engelsen, daardoor zijn de meeste
Marenghi-orgels in Engeland te vinden.
Na 1920 werd het bedrijf nog een aantal
jaren voortgezet door Charles Gaudin.
Metallofoon, register bestaande uit
matalen strips die door hamertjes worden aangeslagen. Meestal in kermisorgels. Soms
abusievelijk uitgescholden voor xylofoon.
Middenkast. Middelste deel van het
draaiorgel, waarin zich onder anderen de blaasbalg en windlade bevinden.
Mixtuur. Register bestaande
uit meerdere rijen pijpen, die zijn gestemd als boventonen; meestal octaaf, bovenkwint en
dubbeloctaaf (4', 2 2/3' en 2'), in het accompagnement vaak ook met een terts. Het
resultaat maakt de indruk van forte, door de versterking van boventonen. Algemeen gebruikt
in Duitse draaiorgels als forte-register.
Moduleren. Wijzigen van de toonsoort
in een muziekstuk.
Molzer - Wien
Ferdinand Molzer Sr. werd geboren op 10
oktober 1855 en overleed op 5 september 1929. Van 1880 af heeft hij zich erg beijverd het
draaiorgel, dat bij de bevolking in Oostenrijk in diskrediet was geraakt, te verbeteren.
Bij naspeuringen ontdekte het KDV-bestuurslid Van Dinteren indertijd, dat Molzer een
filiaal heeft overgenomen van Josef Riemer Söhne uit Chrastava (Kratzau) in
Tsjechië.
Dank zij zijn vakmanschap slaagde hij er in
een straatorgel te maken, dat het lievelingsinstrument van het volk werd. Behalve
straatorgels leverde Molzer ook concertorgels tot 96 toetsen en kerkorgels. In 1911 heeft
Molzer Jr. voor Amerika een Kinophon gebouwd; te vergelijken met het theater- of cinema-
orgel. (Door veel inspanning zijn de enkele resterende theaterorgels in ons land onder
bescherming gekomen van onze zustervereniging de Nederlandse Orgel Federatie, Postbus 189
Amsterdam). Deze Kinophon had twee manualen en pedaal, en bevatte veertig registers. Het
instrument was dan ook slechts door enkele ingewijden te bespelen. In 1923 bouwde Molzer
zelfs een 112 toets dansorgel voor een jubileumtentoonstelling in Gotenburg.
Th. Mortier -
Antwerpen
De productie van Mortier begon omstreeks
1900, in een periode waarin de Franse en Duitse orgelindustrie reeds tot grote bloei was
gekomen. Theofiel Mortier was oorspronkelijk exploitant van een danszaal
waarin steeds een Gavioli-orgel speelde. Hij maakte er een gewoonte van na korte tijd het
in de zaal opgestelde orgel te verkopen. Het lukte hem doorgaans goed om aan zijn
gebruikte orgels te verdienen. Hij werd dus gaandeweg meer en meer orgelhandelaar en een
grote klant van Gavioli. Teneinde ook het onderhoud van de geleverde orgels te kunnen
uitvoeren richtte hij een reparatiewerkplaats in, geleid door de orgelbouwer Guillaume
Bax.
Door interne bedrijfsmoeilijkheden kon
Gavioli na 1910 de opdrachten van Mortier niet meer uitvoeren. Mortier begon nu zelf
dansorgels te bouwen en breidde in de jaren na de eerste wereldoorlog zijn bedrijf uit tot
een personeelsbestand van 80 man, met een capaciteit van ca.20 grote dansorgels per jaar.
Geen enkele fabrikant heeft Mortiers productie in kubieke meters orgel ooit geëvenaard.
Het bedrijf bleef actief tot 1948.
|
| Neerzetten, verbreken van de huurovereenkomst van een
orgel.
Noteren, overbrengen van een
muziekstuk op een draaiorgelboek of papierstrook (type), zodat het gatenpatroon kan worden
uitgekapt. De noteur bepaalt zo hoe het stuk klinkt en is dus
eigenlijk een bespeler op afstand. |
| Ondumaris, foute naam voor Unda
Maris
Ontlatende wind. Pneumatisch
besturingssysteem waarbij het commando tot stand komt doordat ergens winddruk wegvalt.
Opnemen, een orgel huren.
Oprotten, verbreken van de
huurovereenkomst van een orgel.
Orchestrion, mechanisch
muziekinstrument dat ontworpen is om binnenshuis een orkest te imiteren. Duitse en
Amerikaanse orchestrions hebben meestal een piano als basis, uitgebreid met slagwerk en/of
orgelpijpen of andere instrumenten. Ook echte violen werden wel ingebouwd. Belgische
orchestrions zijn feitelijk een aangepaste vorm van kleinere dansorgels. |
| Piano. 1. Het bekende snaarinstrument met aangeslagen
snaren; 2. Muziekterm voor "zacht". In draaiorgels vaak gebruikt in plaats van
de term afsluiter, vooral als bij het afsluiten van alle
registers nog een aantal pijpenreeksen blijft doorspelen.
Piano-orgel, foutieve naam voor
draai (cilinder)piano.
Piccolo, register dat dit hoogst klinkende blaasinstrument
imiteert. Het werd vaak gebouwd met pijpen van een bijzondere vorm die voorin het orgel
geplaatst werden.
Pièce (de gravure), pneumatische
registerschakelaar die rechtstreeks op de windlade wordt gebouwd.
Piston, conisch tongwerk
met licht schetterende klank. Vooral toegapast in Belgische dansorgels.
Pompstok, verbindingslat die de
beweging van de krukas overbrengt op de schepper van de balg.
Popper
Poort, opening in het middendeel van
een draaiorgel, waardoor een deel van de pijpen zichtbaar is.
Proscenium (Eng.) zie
front |
| Register, bestaande uit een of meer rijen pijpen die
dezelfde klankkleur hebben.
Registercancellen.
Registerkast.
Toestel dat orgelregisters in- en uitschakelt door middel van korte commando's in de
muziekdrager. Het apparaat ontvangt commando's van de registergaten in de muziekdrager en
van een of meer afsluiters om niet meer gebruikte registers uit te schakelen.
Relais,
inrichting om een (pneumatisch) commando te versterken. Het wordt vooral gebruikt in
situaties waarbij een commando van het klavier te zwak is om een groot ventiel te openen;
vooral gebruikt voor registers en slagwerk.
Richter - Düsseldorf
Johann Richter begon
omstreeks 1840 te Gersfeld-Rhön, in de omgeving van Fulda, met het repareren en bouwen
van kerkorgels om na een hele tijd langzaam over te schakelen op het bouwen van
buikorgels, kleine draagbare cylinderorgels. Op de duur groeide ook het formaat van deze
orgels. Na het overlijden van Johann Richter zetten zijn drie zoons onder de naam Gebrüder
Richter te Düsseldorf-Derendorf het bedrijf voort. Deze drie broers waren Felix
(1870-1945), Eduard (1872-1944) en Emil (1884-1964).
Naar meer dan een dozijn landen werden de
heldere en pittige Richterorgels verzonden. De cilinderorgels gingen in grootte van 27 tot
80 toetsen, terwijl de latere boekorgels van 56 Tonstufen (luchtgaten in het klavier)
volgens de katalogus tot 96 Tonstufen gingen. Volgens Emil Richter echter werden er ook
orgels met 108 Tonstufen gebouwd. Alleen de jongste der drie broers Richter had een
nakomeling: zoon Felix, geboren 1922, die het bedrijf zou voortzetten.
Het lot heeft helaas anders beschikt; als
dienstplichtige werd zijn vliegtuig een maand voor het einde van de tweede wereldoorlog
aangeschoten waardoor het in de lucht explodeerde. Eduard Richter stierf in 1944 in de
werkplaats tijdens een geallieerde luchtaanval. De fa. Richter heeft zware klappen
gekregen en is tragisch geëindigd.
Roldoek, zie smartlap.
Rollenorgel, orgel dat speelt door
middel van papieren rollen in plaats van kartonnen orgelboeken.
Rozenkransregister, zie kettingregister
Ruth - Waldkirch
De firma A. Ruth u. Sohn heeft van 1841 tot
1938 in Waldkirch im Breisgau in het Zuiden van het Zwarte Woud orgels gebouwd, die nog
steeds worden beschouwd als de beste Duitse kermis- en concertorgels.
Andreas Ruth (1817-1888)
leerde het orgelbouwvak bij Ignaz Bruder, van wiens vrouw hij familie was. In 1841
vestigde hij zich in Waldkirch waar hij zich bezig hield met het vervaardigen van klokken
met speelwerkjes en van draaipianos, die bij kenners bekend staan als
"Hackbretter", en later cilinderorgels.
Zijn zoon Adolf I (1845-1907) nam in
1875 de leiding van het bedrijf over. Adolf Ruth was niet alleen een goede technicus en
handig zakenman, maar ook een muzikaal begaafd man. Onder zijn leiding kwam de bouw van
grotere cilinderorgels op gang en het bedrijf kwam tot grote bloei. Rond 1900 begon de
fabriek ook met het vervaardigen van boekorgels.
Diens zoon Adolf II (1887-1938) nam
na het overlijden van zijn vader in 1907 de leiding over. Vooral op het muzikale vlak
overtrof hij zijn vader; door hem en zijn meesterknecht Rudolph Weisser werd het
repertoire van vooral semi-klassieke muziekstukken zodanig uitgebreid dat het in de
toenmalige Duitse orgelindustrie zijn weerga niet kende, noch wat hoeveelheid, noch wat
kwaliteit betrof. In het begin van de jaren 1930 begon de malaise, voomamelijk als
gevolg van de opkomst van radio en grammofoon. Na de dood van Adolf Ruth II in 1938 werd
het bedrijf gesloten. Het grootste deel van de inboedel werd gekocht door H. Voigt te
Frankfurt a. Main-Hoechst, dit bedrijf is nog steeds actief.
De orgels van de firma A. Ruth und Sohn
werden destijds door de klanten, en heden door de liefhebbers, beschouwd als de
"Rolls-Royce" onder de kermisorgels. Ze stonden bekend als bijzonder goed
gebouwde instrumenten die weinig onderhoud nodig hadden, zelden bijgestemd hoefden te
worden, en onder bijna alle weersomstandigheden bleven spelen. Bovendien leverde Ruth
uitstekende muziekarrangementen, die nu nog altijd beschouwd kunnen worden als een goede
weergave van de muziek zoals ze in de eerste dertig jaren van de 20e eeuw werd gespeeld.
|
| Saxophone,
tongwerk met cilindrische schalbekers, meestal van hout, en met de klankopening vooraan om
invallen van stof tegen te gaan en om ongewenste boventonen te onderdrukken. Het
voornaamste verschil met het register Bariton is de hogere ligging van
het register.
Schepper, bewegend deel van een
blaasbalg.
Secreet, zie windlade.
Sleep,
Smartlap.
Refreinlied dat gaat over akelige dingen in het leven (scheiding, overlijden, ziekten,
ongevallen en meer). De voorstelling van het lied werd geschilderd op een katoenen of
linnen lap, als een stripverhaal. Deze lap werd roldoek of smartlap genoemd; later ging de
naam over op het lied zelf.
Snijbaard of Frein (Harmonique) is
een inrichting aan een pijp, bestaande uit een omgebogen metalen plaatje, dat door middel
van stelschroeven zodanig in de luchtstroom bij de kern van de pijp wordt gezet dat de
pijp de grondtoon stabiel geeft. Pijpen met een sterk strijkende klank, zoals viool- en
cellopijpen, zijn van nature instabiel als ze op hoge winddruk moeten spelen. De snijbaard
ondervangt dit probleem.
Springlade, een inrichting op een
tooncancellade die voor alle pijpen een apart tweede ventiel heeft. Al deze ventielen
worden door een gezamenlijk mechaniek worden bediend. Een goed voorbeeld is de constructie
van de mixtuur in Duitse orgels.
Stand, samenscholing van luisteraars
bij een draaiorgel. De meeste luisteraars waren kenners en keurders,
die de kwaliteiten van het orgel vergeleken met andere orgels.
Steenput, Alphonse,
Antwerpen.
Stem, zie Vox
Humana |
| Temperatuur
Temperen noemt men het onderling
afstemmen van de verschillende hele en halve tonen in een orgel, zodat in meerdere
toonsoorten kan worden gespeeld. De natuurkunde van de muziek laat niet toe dat alle hele
en halve tonen in de ideale verhouding tot klinken kunnen worden gebracht door een
instrument met toetsen. Compromissen zijn dus altijd nodig en er zijn dan ook talloze
systemen bedacht om dit, in wezen onoplosbare, probleem zo bevredigend mogelijk te kunnen
oplossen.
Thibouville, Mirecourt-Paris.
Thibouville was vooral een handelmaatschappij, die in een aantal eigen fabrieken
mechanische muziekinstrumenten liet bouwen, o.a. piano's, tongorgels en salonpijporgels,
maar ook gitaren, violen en andere strijkinstrumenten. Veel van deze instrumenten werden
in licentie gebouwd en een aantal uitvindingen van Gavioli werden exclusief door
Thibouville onder zijn eigen naam gemaakt. Een deel van de maatschappij bestaat nog
(Londen)
Toetsen, aanslagpunten van een piano
of orgel.
Toetsenklavier, draaiorgelklavier
waarin de boeken worden afgetast door stalen lamellen die door de gaten in het boek omhoog
veren en door het karton weer neergedrukt worden. Algemeen gebruikt in Nederlandse
straatorgels.
Tollenbak,
registercancel met platte ronde ventielen.
Tonstufen, Duitse naam voor luchtklavier (zie aldaar).
Tooncancellen; een indeling van de
windlade in kanalen die elk alle pijpen van een bepaalde toon van wind voorzien. Op de
windlade moet dan een inrichting worden gemaakt die de verschillende registers in- en
uitschakelt.Voorbeelden van tooncancelladen zijn de springlade, sleeplade en windlade met
pièces de gravure.
Toverfluit, zie piccolo
Transponeren, een muziekstuk in zijn
geheel in een andere toonsoort omzetten.
Trombones.
Laag klinkende konische tongwerken, bedoeld ter versterking van de bassen. Vanwege de
grote lengte zijn ze meestal verkropt in de orgelkast gebouwd. Grote trombones worden ook
wel bombardons of tuba's genoemd.
Trompetregister.
Konische tongwerken, meestal van hout, in Franse kermisorgels soms van
messing. Heldere licht schetterende klank. Vooral in kermisorgels en Duitse straatorgels
gebruikt.
Touches (Fr.)
zie toetsen
Tremulant, inrichting die de
winddruk van bepaalde registers laar variëren, waardoor een "levendig"effect
aan de muziek moest ontstaan. Andere typen tremulant onderbreken de windtoevoer naar de
pijpen, waardoor een wat stotterend geluid ontstaat. Veel gebruikt in Carl Frei-orgels en
zeer gewaardeerd door de liefhebbers.
Trommel forte |
Uitscheiden, verbreken van de
huurovereenkomst van een orgel. Unda Maris, soms ten onrechte
ondumaris genoemd, betekent "golven der zee". Twee rijen open pijpen zijn ten
opzichte van elkaar licht zwevend gestemd, waardoor een aangenaam levendige klank
ontstaat. Vooral in straatorgels toegepast. Carl Frei gebruikte het register op tegenzang
in plaats van saxofoons of trompetten. |
Vergunning,
afgegeven door de gemeente, om met een draaiorgel op de openbare weg te spelen.
Merkwaardigerwijze hebben andere straatmuzikanten geen vergunning nodig.
Vibraton,
dansorgelregister. In de achterzijde van de gedekte fluiten is een klepje aangebracht dat
door middel van de tremulant in snel tempo wordt geopend en gesloten. In de voorzijde van
de pijp zit een venstertje dat met een plaatje mica is afgesloten zoals bij een mirliton.
Het effect doet in de verte denken aan een saxofoon met veel vibrato. Vanaf de jaren 1930
toegepast door Decap, later ook door Mortier.
Vioolregister. Het belangrijkste
register in draaiorgels. Het bestaat uit twee tot negen (!) rijen open pijpen van nauwe
mensuur, altijd voorzien van snijbaarden. In de 19e eeuw
uitgevonden door de Franse orgelbouwer Cavaillé Coll, maar Gavioli kreeg er patent op. De
luide boventoonrijke klank doet in de verte wat aan het strijkinstrument denken. In
sommige orchestrions werden veel natuurgetrouwer vioolpijpen toegepast.
Viool céleste, ook
kortweg celest, register dat bestaat uit twee of meer rijen vioolpijpen, waarvan
één rij iets hoger of lager is gestemd. Het resultaat is een zacht zwevende klank, die
aan een strijkorkest moet doen denken. In straatdraaiorgels veelvuldig toegepast.
Celestregisters worden soms zó zwevend gestemd dat alleen kenners het nog maar mooi
vinden; anderen vinden het vals.
Vleugels, zijstukken van een
orgelfront, waarachter geen pijpwerk of slagwerk zit. Ze kunnen bij straatorgels worden
omgeklapt.
Voetmaten. In orgels is de open pijp
van C (64 Hz) vrijwel precies 8 voet lang. Daarom worden registers die overeenkomen met de
toetsen van het met de hand bespeelde klavier 8-voetsregisters genoemd. Er bestaan ook
registers van 4 voet, die een octaaf hoger klinken en ook 16- en 32-voetsregisters die 1
en 2 octaven lager klinken. In mixturen komen ook gebroken voetmaten voor, zoals 2
2/3 voet voor een rij pijpen die een duodecime hoger klinkt, en nog meer soorten.
Vox Humana,
Voix Humaine (FR) of Menschelyke Stem is een typisch draaiorgelregister dat tussen 1900 en
1920 veel werd toegepast. Het bestaat uit een reeks tongwerken met korte schalbekers en
een kleine ronde opening om het geluid uit te laten. Het sterk vibrerende geluid, vooral
ook door de tremulant, deed in de verte wat aan een zanger of zangeres denken. Zeer
geliefd register tussen 1900 en 1920. Draaiorgels met dit register werden ook wel
"Stemorgels"genoemd. |
Weber orchestrionfabrik, Waldkirch
Wellershaus - Mühlheim-Saarn.
De firma Gebrüder Wellershaus vond haar
oorsprong te Remscheid, waar Wilhelm Wellershaus (1764-1821) staande uurwerken
vervaardigde.
In 1832 volgde vestiging in het toen nog
zelfstandige Saarn a.d. Ruhr door zoon Friedrich Wilhelm (1796-1856) waar
kerkorgels en tafelklavieren gemaakt werden . Kleinzoon Julius Wellershaus
(1828-1911) ging over op de bouw van kleine cylinderdraaiorgels, de zg. buikorgels, door
rondtrekkende muzikanten met een riem voor de buik gedragen of later op een poot geplaatst
(pootorgels).
Achterkleinzoon August (1861-1927)
en Wilhelm (1867-1910) vormden de firma Gebrüder Wellershaus.
Tenslotte hebben de achter-achterkleinzoons
August Jr., geboren 1897 en Emil, geboren 1900 en beiden overleden in het
midden der jaren 1960, de orgelfabriek onder dezelfde naam voortgezet. Na 1918
werden in het bedrijf naast kermisorgels ook piano's en grammofoons vervaardigd.
Welte, Freiburg
Winddruk, de overdruk waarop de
orgelpijpen spelen, en die ook het pneumatische mechaniek bedient. Draaiorgels hebben
meestal een veel hogere winddruk dan kerkorgels. Winddruk wordt gemeten in millimeters
waterkolom.
Windhapper, orgel dat teveel wind
verbruikt. Dit kan worden veroorzaakt door een verkeerde intonatie (te wijde kernspleten,
verkeerde opsnede etc.), te zware bezetting met registers en slagwerk, verkeerd gekozen
windvoorziening of een slechte conditie van het orgel met als gevolg windverlies. Carl
Frei-orgels werden destijds door Gijs Perlee "windhappers"genoemd.
Windlade.Grote
rechthoekige bak, die de orgelwind verdeelt over de pijpen. De windlade wordt door middel
van latjes verdeeld in een aantal smalle kamers, elk afgesloten door een ventiel. Werd ook
wel secreet genoemd.
Windmachine
of exhauster. Centrifugaalpomp, aangedreven door een elektromotor. Een windmachine is veel
goedkoper dan blaasbalgen. Daarom zijn in de loop van de jaren veel kermisorgels voorzien
van zo'n machine. Draaiorgels met windmachine kunnen niet meer met de hand worden
gedraaid; daarom wordt het systeem in straatorgels slechts hoogst zelden toegepast.
Fritz Wrede - Hannover
Fritz Wrede werd geboren op 7 juli
1868 te Hannover -Kleefeld. In 1880 maakte hij kennis met draaiorgelbouw bij zijn oom
Georg Bayer, die orgelreparateur was. In 1885 begon Fritz Wrede zelfstandig, eerst met het
bouwen van kleine draagbare cylinderorgels: buikorgeIs. Deze orgeltjes hadden nog geen
pijpen maar tongwerken, zgn. melotons. In 1890 waren de cilinderorgels al wat groter en
van pijpen voorzien.
Na 1900, toen in Duitsland in navolging van
Frankrijk het boekensysteem haar intrede deed, werd begonnen met de bouw van boekorgels.
Het klavier werkte volgens het luchtdruksysteem. De kleinste
boekorgels hadden 45 Tonstufen (luchtgaten in het klavier), de grootste 80. Wrede
exporteerde naar meer dan 10 landen, ook overzee.
In 1914 moest de orgelindustrie stop gezet
worden om na de eerste wereldoorlog hervat te kunnen worden. In 1933 leed de firma grote
verliezen door de inflatie: in 1937 begon de intrede van radio en grammofoon echt merkbaar
te worden zodat nieuwe orgels niet meer gebouwd hoefden te worden, men beperkte zich tot
reparaties. Op 28 maart l944 werd Fritz Wrede in zijn werkplaats gedood bij een
geallieerde luchtaanval; dit betekende het einde van de firma Wrede. |
Xylophone, register bestaande uit hardhouten strips die
door hamertjes worden aangeslagen. Meestal in dansorgels en orchestrions, vroeger ook vaak
in straatorgels aangetroffen (Limonaire). |
Zijkasten. Uitbreiding van een draaiorgel aan weerszijden van de hoofd-
of middenkast. In de zijkasten werd meestal slagwerk geplaatst, later ook pijpregisters.
Ook draaiorgelboeken vinden hun plaats in de zijkasten.
Zolderbassen, ook bovenbassen
genoemd, korte 8' baspijpen die niet onder de bodem, maar op de windlade zijn geplaatst.
Bij sommige orgels zijn ze tegen het dak van het orgel bevestigd, vandaar de naam.
Zuigwindklavier, zie luchtklavier. |
|