Kring van Draaiorgelvrienden

Piano, 1. Het bekende snaarinstrument met aangeslagen snaren; 2. Muziekterm voor “zacht”. In draaiorgels vaak gebruikt in plaats van de term afsluiter, vooral als bij het afsluiten van alle registers nog een aantal pijpenreeksen blijft doorspelen.

Piano-orgel, foutieve naam voor draai (cilinder)piano.

Piccolo, register dat dit hoogst klinkende blaasinstrument imiteert. Het werd vaak gebouwd met pijpen van een bijzondere vorm die voorin het orgel geplaatst werden.

Pi├Ęce, (de gravure), pneumatische registerschakelaar die rechtstreeks op de windlade wordt gebouwd.

Piston, conisch tongwerk met licht schetterende klank. Vooral toegapast in Belgische dansorgels

Pompstok, verbindingslat die de beweging van de krukas overbrengt op de schepper van de balg.

Poort, opening in het middendeel van een draaiorgel, waardoor een deel van de pijpen zichtbaar is.